Artikelen

Tekst door: Janno Lanjouw en Fotografie door: Maartje Strijbis

0 Vind-ik-leuks

Wie Amsterdam voedt: #2: Guus Waal, De Kippenboerin

“Mensen willen een boer kunnen aankijken en vertrouwen.”

Als antwoord op de grillen van de wereldmarkt werken steeds meer boeren, tuinders, worstenmakers, broodbakkers, winkeliers en chefs in korte ketens: directe handel met zo weinig mogelijk tussenschakels. Vaak is dat lokaal en met een betere connectie tussen de maker en de eter van het voedsel. In de rubriek Wie Amsterdam voedt –  gemaakt in samenwerking met de Rabobank – maak je kennis met de mensen achter je eten, en met hun ideeën voor een duurzamer regionaal voedselsysteem.

Voor deze tweede aflevering reden we de Beemster in, die in de zeventiende eeuw is aangelegd om Amsterdam te voeden. Biodynamische boerin Guus Waal zag het boerenleven in de iconische polder in zestig jaar sterk veranderen. 


Het is een duistere herfstmiddag als we over rechte polderwegen met haakse bochten naar Sonnevanck rijden, de boerderij van Guus Waal en haar zoon Jan. Een loodgrijze lucht vol regen, bladeren die over het wegdek gejaagd worden. Waterkoud. Gelukkig staat het reusachtige antieke fornuis in de keuken van Guus te gloeien.

“Heerlijk hé? Het staat er al sinds '57. Toen stookten we nog op kolen, maar nu brandt-ie op gas,” zegt Guus. Het typeert het gesprek, waarin ze aan de hand van levendige details de bijna zes decennia die ze op deze plek woont doorneemt. 

Boerderij Sonnevanck in Middenbeemster


Dus u kwam hier met uw man in 1957. Hoe was het hier toen?
“Oh, een totaal andere tijd. Je kan het bijna niet geloven. We hadden twintig koeien. Tien van mijn vader en tien van mijn schoonvader. Op schuldbekentenis. Met kerstmis moest je rente en aflossing betalen.”

“Je molk met de hand, in een emmer. Die werd dan boven een 'teems' - een soort zeef - geleegd in een melkbus. De melkauto kwam 's morgens en 's avonds. Je moest altijd op tijd klaar zijn want hij wachtte niet. De eerste paar jaar hadden we een arbeider. Je molk namelijk tien koeien per persoon, dus mijn man en die arbeider deden er ieder tien.”

“Zo was die tijd!” Guus kijkt me doordringend aan. “Er was héél veel werk. Maar het was toch ook rustig door het ritme. Vroeg opstaan, vroeg naar bed. Een eenvoudig leven. Dat hectische was er niet, toen. Je hoefde nooit weg, want de bakker, de slager en de groenteboer kwamen aan de deur.”

Dat zijn pas korte ketens! Wanneer veranderde dat?
“Dat begon al na een paar jaar. Die arbeider had vrij wonen en kreeg iets van zestig of tachtig gulden in de week. Plus nog twee liter melk gratis. Daar kon hij ook zijn gezin van onderhouden. Maar na vier jaar verdiende die arbeider meer dan wij. Dus, die moest weg.”

“Toen kwam de melkmachine en deed mijn man het zelf. Met hulp van zijn vader en zijn broer. Samen werken, samen de machines delen. En zo hebben we langzaam opgebouwd.”

Jongvee

“In de jaren zestig tekende de schaalvergroting zich steeds meer af. Er werd steeds meer kunstmest gestrooid. Dat vond mijn man helemaal verkeerd. Daar krijg je van dat slappe gras van. Je ziet het ook aan het gras. Dat wordt heel donkergroen. We zeggen weleens 'dat ziet blauw van de kunstmest'. Langzaam zag je overal de landbouw de verkeerde kant op bewegen. Intensiever. En er kwam steeds meer voer uit het buitenland vandaan.”

Maar jullie bewogen de andere kant op.
“Ja, in de loop der jaren zijn we biologisch gaan boeren. 1989 zijn we omgeschakeld. Dat voelde heel goed. Wij boerden zoals we altijd geboerd hebben. Mijn man wilde niet de intensieve kant op. Hij was al wat ouder en had vroeger bij zijn vader altijd biologisch gewerkt. Alleen dat heette toen nog niet zo want toen was er nog niks anders.”

“Natuurlijk proberen wij ook gewoon zoveel mogelijk te produceren. En het hoeft ook niet ouderwets ofzo, maar gewoon met goed vakmanschap en in evenwicht: niet je land of je dieren uitmergelen. Of jezelf. Want die boeren die zo intensief werken, dat zie je nu... dat is eigenlijk gewoon zielig. Die werken zich te pletter.”

Wat gun je die intensieve boeren?
“Een beter inkomen! Als ze een betere prijs voor hun producten zouden ontvangen, dan hoeven ze ook niet zo intensief te gaan. Ze worden min of meer opgejaagd door de markt. Alleen om een inkomen te halen?”

Sinds het overlijden van haar man woont Guus met haar zoon Jan op de boerderij. Het biodynamische bedrijf heeft dertig stuks melkvee, twintig Limousinrunderen die gehouden worden voor het vlees, vijfentwintig schapen en een vijftigtal legkippen. De producten van Sonnevanck worden in een klein boerderijwinkeltje verkocht, samen met die van een fruitteler, een akkerbouwer, tuinderij en de biologische geitenhouderij van haar andere zoon Martin, die in de buurt woont.

Guus Waal en haar zoon Jan

Vroeger kwamen de slager en de groenteboer langs het erf, maar nu hebben jullie zelf een winkeltje.
“Ja, in 1999 zijn we daarmee begonnen. Donderdag tot en met zaterdag zijn we open. De meeste melk gaat naar de melkfabriek van Zuiver Zuivel maar vrijwel al het vlees verkopen we zelf. De klanten komen vooral uit de buurt: Purmerend, Beemster, Monnickendam. Maar ook flink wat uit Amsterdam. Vaak jonge gezinnen met kinderen.”

“Je hebt er nog best wel werk aan, dat winkeltje. Mijn dochter helpt ontzettend mee met alles klaarzetten en ze doet de administratie. Maar ik vind het heel leuk om te verkopen. Het contact met de mensen. Echt geweldig. Vooral de waardering voor de producten die je krijgt. We hebben net vorige week vers lamsvlees gehad, nou zo'n prachtkwaliteit.” Glunderend: “Mooi, net zo'n klein randje vet er omheen. Klanten zeggen dat dan ook. Of als de slager het zegt. 'Was hele goeie koe.' Dan voel je trots.”

Het winkeltje op boerderij Sonnevanck is elke donderdag tot zaterdag open


In exportgericht Nederland zijn jullie een uitzondering.
“Oh, hoe onze omgeving is veranderd! Er zijn steeds minder boeren meer hier in de Beemster! Dat is natuurlijk een tendens die je in heel Nederland ziet: oudere boeren hebben vaak geen opvolger als ze stoppen. Hun land wordt dan meestal overgenomen door boerenbedrijven die voor Nederlandse begrippen heel groot zijn. Bovendien zijn dat soort overnames hartstikke kostbaar. Ze worden gefinancierd door banken, maar het komt erop neer dat het vreemd geld is wat gaat dirigeren. Dan gaat het uit de boerenhand.”

“En de oude boerderijen worden opgekocht door mensen uit de stad met geld. Boerderijen worden boerderettes met grote honden in de tuin, allemaal verlichting en een elektronisch gesloten poort.” Maar dan bedenkt Guus zich: “Nou ja er komen niet alleen maar boerderettes. Naast ons is een prachtige oude stolpboerderij door particulieren in oude luister hersteld. Daar zijn we heel blij mee,” zegt ze tevreden.

Wat is dan de toekomst van het voedselsysteem in Noord-Holland?
“Ik zie twee grote verhalen. In het eerste is alles intensief en groot. Dat is de meerderheid. Maar daarnaast heb je een aantal boeren die daar niet aan meedoet. Maar die moeten er iets extra’s bij doen om het financieel te redden. Zoals wij met ons winkeltje. Want wij hebben wel weinig koeien en weinig schapen, maar ze brengen twee keer zoveel op als een bij een gangbare boer. Wij verdienen met dat winkeltje. Niet veel, maar met zuinig leven kom je een eind.”

“En voor dat verhaal - en eigenlijk voor ons allemaal - is het wel positief dat er steeds meer vraag is naar beter voedsel. Helaas is het is niet voor iedereen weggelegd om daar genoeg tijd aan te kunnen besteden. Het belangrijkste is dat er kennis over goed voedsel moet worden overgebracht. Op scholen. De jeugd moet het weten. Dat werkt echt.”


En de toekomst van Sonnevanck?
“Ons bedrijf is en blijft familiebedrijf. Er is een kleinzoon die een en al boer is,” vertelt ze lachend. “Hij speelt al van kinds af aan met de koeien en speelt overal boerderijtje. Je mag het een kind niet opleggen natuurlijk, misschien wil hij later wel heel wat anders. Maar het bedrijf blijft wel in de familie, dat is zeker.”

En ook met de bedoeling om te blijven boeren.
“Ja. En daar is ook wel een goed perspectief voor. Steeds meer mensen zoeken biologische producten. In de winkels, maar ook op het boerenland. Ze willen weten waar hun eten vandaan komt. Ze zoeken een boer die ze kunnen aankijken en vertrouwen.”

“Je merkt het aan alle kanten. Ze komen uit de omgeving, maar ook van veel verder. En ze weten ons te vinden.”

Janno Lanjouw
Bekijk dit profiel
Maartje Strijbis
Bekijk dit profiel
Deel dit artikel:
SCHRIJF JE IN VOOR DE NIEUWSBRIEF
en word lid van Amsterdam &Co.
ZELF EEN REACTIE PLAATSEN?

Oeps! Je bent niet ingelogd.

Maak eenvoudig en snel een account aan en krijg toegang tot alle exclusieve functies en verhalen op Amsterdam &Co.
Het maken van een account is gratis!

Scherm sluiten

Je wachtwoord vergeten?

Geen probleem! Vul onderstaand formulier in en
je ontvangt direct een e-mail met daarin je wachtwoord.